De slag om november
Het was donker, 31 oktober 2025, en ijskoud in de hut van Jaël. Ze was klaarwakker en sprak zichzelf hardop toe terwijl ze van de bank naar de koffietafel en terug ijsbeerde. Het was de kou noch het duister dat haar wakker hield, nee, de reden voor haar nog wakker zijn was de datum. De laatste dag van vrijheid, de laatste dag van vrede, morgen zou de oorlog losbarsten, te beginnen met de slag om november, maar wie weet wat er daarna nog zou volgen. Hoeveel slagen er nog zouden volgen als ze de eerste zouden winnen. Jaël dacht er liever niet aan wat er zou gebeuren als ze de slag zouden verliezen.
Maanden had ze zich hier op voorbereid, was ze er zowel fysiek als mentaal mee bezig geweest. Maar ze had er geen moment naar uitgekeken en ernaar toe leven zou ook te positief geklonken hebben. De slag had haar al die tijd in zijn greep en ze was inmiddels zo gewend aan het benauwde gevoel dat haar overal volgde, dat de gedachte aan vrijheid aan kleur had verloren. Af en toe sloeg de twijfel toe en vroeg Jaël zich af of ze nog wel mee moest vechten. Wat kon haar die kleurloze vrijheid nou schelen in die koude donkere maand die een zware deken over haar zomer had gelegd. Wat aan het eind van de lente nog noodzaak had geleken, nobel zelfs, had inmiddels meer weg van een vaag idee wat amper de moeite waard was om voor te vechten en de moed die ze aan het begin van de zomer nog gevoeld had, had plaatsgemaakt voor angst over wat er ging komen.
Maar dan zag ze haar spullen: meerdere notitieblokken, vullingen voor haar vulpen, twee potloden, haar vulpen én een reserve, thee, veel thee, een boek vol recepten en een vrij gedetailleerde opzet voor een roman waar ze trots op was. Ze had pantoffels, warme truien, een yogamat en genoeg etherische olie om een oliebollenkraam van frituurvet te voorzien. Bakjes om eten in te doen, stickers om op de bakjes te plakken en een stift om de datum en het gerecht op de sticker te noteren. Ze had het ijs uit de vriezer verwijderd en het pak diepvrieserwtjes dat erachter vandaan kwam weggegooid.
En toch… En toch voelt het alsof ze er nog niet helemaal klaar voor is. Dat oktober, voor de lange maand die het is, voorbij ging als een februari, dat ze nog zoveel had willen doen om van haar vrijheid te genieten, maar dat was niet gelukt en nu was het zover, morgen was het zover, en moest ze fit voor de dag komen. Meerdere keren liep ze naar haar tafel om iets op te schrijven. Eén keer poetste ze haar tanden voor de tweede keer die nacht en een andere keer pakte ze alleen haar tandenborstel, maar zette ze hem op tijd terug, voordat ze er tandpasta op had gedaan. Ze had honger, dorst, werd moe van het ijsberen en haar eigen stem. Het kleed tussen de bank en koffietafel was platgelopen en voelde inmiddels een stuk minder zacht aan dan aan het begin van de avond.
Ze stopt met ijsberen, stopt met praten en opeens hoort ze een vogel, een prachtig geluid dat haar terugbrengt naar de werkelijkheid, de hut en erbuiten. Ze kijkt op, ziet het licht van de opkomende zon en beseft dat het buiten haar hut al november is geworden.
De slag is al begonnen.